Blijvende invaliditeit

Wanneer u letselschade oploopt, bestaat de kans dat u niet of niet meer volledig herstelt. Er is dan sprake van blijvende invaliditeit (ook wel afgekort met BI).

Het percentage blijvende invaliditeit wordt vastgesteld:

- wanneer er sprake is van een medische eindsituatie;

- aan de hand van de zogenaamde AMA-guides. Dit zijn richtlijnen van de American Medical Association.

Om de mate van blijvende invaliditeit te berekenen wordt gekeken naar:

- het betreffende lichaamsdeel (bijvoorbeeld arm, been of hersenen);

- in hoeverre dat lichaamsdeel invalide is geworden (door de gevolgen van bijvoorbeeld de breuk of hersenkneuzing);

- wat het aandeel van het lichaamsdeel voor het functioneren van het gehele lichaam is (zo zijn de hersenen uiteraard belangrijker dan een knie of teen).

Een medisch adviseur of een expertise-arts kan dit percentage blijvende invaliditeit vaststellen.

Het percentage blijvende invaliditeit bepaalt overigens maar in beperkte mate de hoogte van de schadevergoeding. De hoogte van het smartengeld is weliswaar mede afhankelijk van de mate van blijvende invaliditeit (hoe hoger het percentage, hoe hoger het smartengeld), maar het smartengeld maakt slechts een (vaak klein) onderdeel uit van de totale schade.

Een paar voorbeelden waaruit blijkt dat het percentage blijvende invaliditeit niet veel zegt:

1. NAH (niet aangeboren hersenletsel) leidt veelal tot een hoog percentage blijvende invaliditeit. Bij veel mensen leidt dit ook tot een forse schade, omdat zij hierdoor arbeidsongeschikt zijn. Ze hebben dan minder inkomen. Bij gepensioneerde mensen zijn de gevolgen van het hersenletsel zeker zo goed voelbaar, maar zijn de financiële gevolgen minder groot. Hun inkomen verandert immers niet door het letsel.

2. Ook een complete lage dwarslaesie (verlamming vanaf de onderrug) leidt uiteraard tot een hoog percentage blijvende invaliditeit. Mensen met een kantoorbaan (een zittend beroep) zullen hiermee echter vaak nog wel hun werk kunnen doen. Dit ligt anders voor beroepen in bijvoorbeeld de bouw, de kinderopvang of de zorg. De financiële gevolgen van een complete lage dwarslaesie kunnen voor de mensen met een fysiek beroep dus groter zijn.

3. Soms kunnen ook met een klein percentage blijvende invaliditeit de financiële gevolgen groot zijn. Voor de meeste mensen zal een amputatie van een vinger op de lange termijn weinig gevolgen hebben. Voor een muzikant, zoals een pianist, zal het echter betekenen dat hij zijn eigen beroep niet meer kan uitoefenen.

De financiële gevolgen - en daarmee de hoogte van de schadevergoeding - zijn dus sterk afhankelijk van wie het specifieke letsel overkomt en minder van de mate van blijvende invaliditeit.